Knack 09/18/2013

Knack – Jean Beersemans, de clochard die naar Hollywood trok

Eind augustus overleed in Antwerpen Jean Beersemans. De man was bij Martin Luther King toen die ‘I have a dream...’ riep. Ook Jean had een droom: hij wou een film maken. Intussen vergleed zijn leven in een onwaarschijnlijk scenario.


Mister Dollar

 

Zijn overlijdensbericht viel die morgen op tussen alle anderen. Omdat zijn foto er in kleur bij stond. Onder zijn naam stond ook een bijnaam: ‘Mister Dollar’. En dan het rouwadres: Kamiano, het daklozenrestaurant van de Sant’ Egidio- gemeenschap.

Ik herkende zijn gezicht meteen. Een paar jaar geleden was ik met hem aan de praat geraakt na een concert van Randy Newman in Turnhout, op de laatste bus naar huis. In mijn dagboek schreef ik op 13 mei 2010: ‘Speciale man. Het repertoire van Newman kende hij niet, hij zwoer bij Frank Sinatra. Bij ‘New York, New York’. Het was zijn song, zei hij. Ooit had hij zijn dromen nagejaagd, hij had net als Sinatra zijn zwerversschoenen aangetrokken om een nieuwe start te maken. Net als hij wou hij wakker worden in the city that never sleeps.

‘En?’ vroeg ik.
‘Het was fantastisch’, antwoordde hij.
Hij vroeg of ik al in New York geweest was.
Toen we in Antwerpen uitstapten, beloofde ik hem:
‘Ooit breng ik verslag uit.’

Later ben ik Jean nog vaak tegengekomen. Hij hing vaak rond op de Groenplaats en de Rooseveltplaats. Stak dan altijd zijn hand op, ik zwaaide terug. Op den duur werd het ons kleine ritueel. Maar ik heb nooit verslag uitgebracht van New York, ik heb hem nooit meer aangesproken. Ook daarom raakte dat overlijdensbericht me, een beetje uit schaamte.

Een paar dagen later: afgesproken met Carla De Mul van Kamiano. Ze kende Jean al meer dan twintig jaar. In haar studentenjaren zag ze hem vaak in de bibliotheek, hij zat er altijd de krant te lezen. Naast hem lag steevast een zakje van de Aldi. Later, toen Kamiano opgestart werd, vond ze hem in de Quick. Hij zat al uren voor dezelfde beker thee. ‘We gaan een daklozenrestaurant oprichten’, zei ze. Hij keek op en lachte. ‘Dat is fantastisch’, antwoordde hij. Zo was hij de eerste vaste klant van Kamiano geworden. Elke woensdag en zaterdagavond kwam hij er eten. Een lieve man, hart op de tong. Gul met humor en decibels. Maar niet altijd: soms zag ze hem in alle stilte schrijven aan filmscenario’s. Zijn grote droom was dat een van die scenario’s verfilmd zou worden. Carla zou een rol krijgen en Kamiano een deel van de opbrengst.

Ze werden vrienden. ‘Hij was zelfs op mijn trouwfeest’, zegt Carla. Toch bleef hij zelfs voor haar een beetje een mysterie. Over zijn verleden had hij vaak verteld. Ze wist dat hij lang in Amerika gewoond had - hij had er zijn bijnaam ‘Mister Dollar’ aan te danken –, maar niet waar het misgelopen was. Ze had er ook nooit naar gevraagd, heel bewust. ‘Na zijn dood hebben we overal gezocht naar familie, maar niemand gevonden.’
‘Kom je naar de begrafenis?’ vroeg ze.

Een ochtend in de Indian summer. Ik stap de Carolus Borromeuskerk aan het Conscienceplein binnen. Iemand geeft me een witte roos. Binnen zit een honderdtal mensen. Thuislozen met een plastic zakje. Een man met een gitaar. Iemand met een kooi waarin een gewonde vogel zit – ‘Ik wou ‘m niet alleen laten’, verontschuldigt hij zich. Ook de plots opgedoken nicht en achternicht van Jean zijn er. Ze hadden het overlijdensbericht gelezen in de krant. ‘We nemen afscheid van een heel bijzondere man’, zegt de pastoor. ‘Iedereen spreekt nu over die ‘I have a dream’- speech van Martin Luther King. Jean, gij waart erbij toen hij vijftig jaar geleden die woorden uitsprak. Ge hebt ons allemaal verteld wat een indruk dat op u gemaakt heeft, hoe dat uw leven veranderd heeft. Ze noemden u in de stad Mister Dollar, maar ze hadden u evengoed Mister Friendship kunnen noemen.’

De gewonde vogel begint te tsjilpen. Net voor het einde van de viering stapt de man met de gitaar naar buiten. Op het Conscienceplein zingt hij een paar regels Sinatra. Geen New York, New York, maar die andere klassieker van ol’ blue eyes: ‘I`ve lived a life that`s full, I travelled each and every highway, and more, much more than this, I did it my way.’‘Voor u, Jean’, voegt hij eraan toe. Niemand luistert. Iemand vraagt hoe Jean eigenlijk gestorven is. Paula Bemelmans van Kamiano vertelt dat hij gevallen is op de bus. Tegen een paal gevlogen, na een bruusk remmanoeuvre van de chauffeur. Daarna had hij nog een paar maanden in de Eeuwfeestkliniek gelegen. Carla, Paula en een sociale verpleegster waren hem elke dag gaan bezoeken. Tot grote vreugde van Jean, die blij was dat ze hem weer eens gevonden hadden.
Naast zijn bed stond een foto van zijn moeder. ‘Amai Jean, uw ma was wel een mooie vrouw’, had Paula op een dag gezegd.
‘Wist je dat ze ooit de derde rijkste vrouw van België was?’ vroeg Jean.
Toen begon hij te wenen. Hij die nooit weende. ‘Wat is er, Jean?’ Hij antwoordde niet, bleef maar wenen. ‘Paula,’ zei hij, ‘ik praat zo graag. Maar het gaat niet meer.’ De volgende dag was hij dood.

Het Conscienceplein loopt langzaam leeg. Ik herken radiosportverslaggever Leo De Vos. Ook hij had dat overlijdensbericht gelezen in de krant. Vooral de naam intrigeerde hem: Beersemans. Hij kende eigenlijk maar één Beersemans. Zijn leraar Engels in de vierde Grieks-Latijnse in het Koninklijk Atheneum van Berchem, schooljaar 1953-1954. Alleen leek de man van het overlijdensbericht niet op de leraar uit zijn herinnering. Een knappe vent was dat. Altijd strak in het pak, haren gekamd – net een filmster. Hij heette ook Joseph, niet Jean. Leo mailde naar het rouwadres dat op het overlijdensbericht stond. ‘Jean is Joseph’, wisten ze bij Kamiano. In de jaren vijftig had hij wel degelijk aan het Atheneum lesgegeven.
‘Toen schrok ik wel even’, zegt Leo. ‘Beersemans was de vreemdste leerkracht die ik ooit gehad heb. Hij begon zijn lessen altijd met tien minuten stilte. “De enige stilte is de totale stilte”, riep hij dan. Daarna kregen we maanden aan een stuk dezelfde les: de hoofdtijden van de Engelse werk- woorden opdreunen. Een Mister Friendship was hij zeker niet, integendeel. Heel wat ouders en leerlingen zijn bij de directie gaan klagen over zijn tirannieke manier van lesge- ven. Ik vermoed dat hij na die klachten ontslagen is. In elk geval was hij een paar jaar later plots verdwenen.’
Toch bleef die vreemde leraar nog lang door Leo’s hoofd spoken. ‘Hij was ongelukkig, dat is zeker. Had hij een onmogelijke liefde? Ik weet het niet, hij liet niet in zijn ziel kijken. Niemand had contact met hem: noch de leerlingen, noch zijn collega’s. Als hij weg was, lachten we met hem. We waren veertien, snotneuzen. Empathie, daar hadden we nog nooit van gehoord. Later heb ik hem nog weleens willen opzoeken. Alleen maar om te vragen: “Wat was dat toen in 1954, meneer Beersemans?”
De laatste dagen had Leo vaak naar de kleurenfoto op het overlijdensbericht gekeken. Niet meer met zijn kinderogen van weleer, maar met oude ogen. Hij vroeg zich af hoe erg een mensenleven kan veranderen, hoeveel kronkels er eigenlijk in kunnen zitten. Het had hem zelfs wakker gehouden. ‘Ik vond dat ik bij mijn oude leraar in het krijt stond’, zegt Leo. ‘Daarom moest ik op de begrafenis zijn.’

Jean Beersemans wordt op 12 september 1921 geboren in Merksplas als Josephus Carolus Marcellus Beersemans. Zijn ouders zijn allebei leraar. Ze sturen hun enige kind naar het Klein Seminarie in Hoogstraten, in de hoop dat hij daar God treft. Maar de jonge Joseph krijgt geen roeping. Hij leest liever. Vlucht in zijn boeken, want het zijn rare tijden. In 1940 breekt de oorlog uit. Joseph ziet zijn leeftijdgenoten naar Duitsland vertrekken. Hij trekt naar Leuven, om Germaanse filologie te studeren. Zijn ouders verhuizen mee.
Terwijl de V1’s en V2’s over Leuven scheren, schrijft hij zijn eindwerk over de dichter Karel Ledeganck. In het voor- woord bedankt hij zijn professoren voor ‘de lessen voor het leven’. En ook omdat ze hem de romantici hebben leren ken- nen: Lord Byron, Sir Walter Scott, Ledeganck. Hij dweept met hun vrijheidsdrang, met de romantische onzekerheid die ze propageren. Op het einde van zijn eindwerk bespreekt hij een van de mooiste gedichten van Ledeganck: De Bedelaar. Het gaat over een gelukszoeker die terugkijkt op zijn leven en beseft dat al zijn dromen leugens waren.
In juni ’44 studeert Joseph cum laude af in Leuven. Een jaar te vroeg, de oorlog is niet voorbij. Duitsland lijkt alsnog zijn lot. Maar weer weet hij te ontsnappen: naar Parijs deze keer, waar hij een jaar aan de Sorbonne studeert.

Na de oorlog gaan de Beersemansen aan de Strijdhoflaan in Berchem wonen. Joseph gaat lesgeven aan het Atheneum, maar dat loopt faliekant af. In 1956 wordt hij op pensioen gestuurd. Vijfendertig is hij dan. ‘Dat was een wat duistere periode’, zegt zijn nicht Joanna Beersemans. ‘Jean sloot zich af, deed voor niemand de deur open. In die tijd is ook zijn vader gestorven.’
In 1957 neemt hij een drastische beslissing. Hij emigreert naar New York, op zoek naar een nieuw leven. Zonder bezittingen, maar met een belofte: ‘If I can make it there, I can make it anywhere.’

Joseph wordt Joe. De eerste weken in New York woont hij in motels, zwerft langs de straten. Tot hij op een dag aanklopt in een school in Harlem. De directeur scheurt zijn diploma Germaanse filologie in tweeën. ‘In dit land heeft dit papier geen waarde, Joe. Hier telt alleen wie jij bent.’ Hij mag toch beginnen en krijgt een gemengde klas onder zijn hoede. ‘De zwarte kinderen hadden een leerachterstand’, vertelt hij later aan zijn vrienden op straat. ‘Ik had zo veel compassie dat ik ze meer punten gaf. Al die zwarte ouders droegen me op handen.’
Joe koopt een mooi appartement aan Riverside Drive in Manhattan. Vanuit zijn raam ziet hij het land veranderen. John F. Kennedy wordt president, overal komen mensen op straat. In het zuiden van het land roert de burgerrechtenbe- weging zich. Op een dag hoort hij dat ze naar Washington ko- men. Hij wil erbij zijn en reist met de trein naar de hoofdstad. Staat tussen de massa aan het Lincoln Memorial wanneer King roept: ‘I have a dream today!’ Joe wrijft de tranen uit zijn ogen en applaudisseert luid mee.
De droom van Martin Luther King wordt ook de droom van Joe Beersemans.

Sporadisch keert hij terug naar België. Zijn achternicht Inge Van Leemput vergeet die bezoeken nooit. ‘Ik was nog jong toen. In de familie werd een beetje smalend over hem gedaan. Hij zweefde, stond niet met zijn twee voeten op de grond. Maar ik luisterde graag naar hem.’ Hij moedigt Inge aan ook naar Amerika te gaan. Tekent voor haar plannen van New York, geeft haar boekenlijsten, doet haar dromen van een meeslepend leven in het land van Uncle Sam.

Jaren later trekt Inge ook naar New York. Een geweldig avontuur, net zo mooi als hij getekend had. Wanneer ze terugkomt, denkt ze: ik moet dit aan nonkel Joe vertellen. Maar ze vindt hem nergens.
Joe is intussen naar L.A. verhuisd. Hij doet er audities voor Hollywoodfilms, maar faalt. De hemel bestormd en verloren. Joe past dan maar zijn droom aan: voortaan gaat hij scenario’s schrijven. ‘Toen is het misgelopen’, zegt zijn nicht Joanna. ‘Op een bepaald moment wou hij een heel grote ranch kopen. Hij hoopte veel geld te verdienen en vroeg aan zijn moeder om het familiekapitaal te investeren. Zij was een rijke vrouw, die veel gronden geërfd had. Ze stemde toe, want ze had alles over voor haar enige zoon. Maar Joe was geen zakenman. Ze hebben hem bedrogen.’
Nadat hij het geld gestort heeft, hoort hij niets meer van de eigenaars van de ranch. Ze lijken in rook opgegaan, van de aardbol verdwenen. Joe stort in.
Kort daarop sterft zijn moeder. Hij keert terug naar België, gaat in Antwerpen wonen en noemt zichzelf Jean. Zijn dagen vult hij op de bus. Twee keer per dag neemt hij snel- bus 416 naar Turnhout. Heen en terug, jaren aan een stuk. Uit nostalgie naar de straten waar hij met zijn moeder liep. Maar ook omdat hij op de bus ‘tussen de mensen is’. Altijd heeft hij zijn plastic zakje van de Aldi bij zich. Zijn kost- baarste bezit, de filmscenario’s, zit erin.
Paula: ‘Het leek alsof hij zich schuldig voelde tegenover zijn moeder, alsof hij haar dat geld wou teruggeven. Hij leefde enorm zuinig. Huurde een kamer van een huisjesmelker, zonder water of elektriciteit, voor 112 euro. Terwijl hij zich gerust een serviceflat had kunnen permitteren. Maar dat wou hij niet. Hij sliep daar niet, wel in de cafés rond het Centraal Station. Rechtop zittend, voor een kop koffie.’

Een middag in de Indian summer.
Ik wandel langs zijn kamer in de Groenstraat in Borgerhout. Ik kijk naar binnen: er liggen honderden zakjes van de Aldi, allemaal gevuld met papier. Zijn filmscenario’s. Maar ook brieven aan wereldleiders, waarin hij over zijn droom vertelt. Barack Obama kreeg er een, Herman Van Rompuy, paus Franciscus. Zelfs in het ziekenhuis bleef hij hen schrijven, vertelde iemand me. Alleen het adres van de afzender op de enveloppe veranderde: ‘Jean Beersemans vanaf nu bedlegerig te Antwerpen.’
Ik wandel verder door de stad. Opnieuw afgesproken met Paula. Ze wil me Madeleine leren kennen, een vriendin van Jean. Ze woont nu in een serviceflat, maar drie jaar had ze met Jean op straat geleefd. ‘Op haar 79e was haar appartement plots onbewoonbaar verklaard’, zegt Paula. ‘“Je moet niets huren”, had Jean haar gezegd. “Volg mij, ik overleef ook op straat.” Jean zette zich af tegen een kapitalistisch systeem dat zulke huurprijzen durfde te vragen. Zo verzamelde hij medestanders rond zich.’
Madeleine heeft geen spijt van haar straatjaren. Ook al moest ze weleens in vuilnisbakken duiken om te overleven. Ze had veel gelachen met ‘den Dollar’. Zoals die ene keer dat ze allebei in de sneeuw gevallen waren en niet meer recht konden. ‘Bij den Dollar voelde ik me veilig’, zegt ze. ‘Hij sprak iedereen aan op straat. “Je moet zo veel mogelijk mensen leren kennen, Madeleine”, zei hij altijd. “Van iedereen leer je iets en je bent later niet alleen.”’ Heerlijke vrouw, Madeleine. Een waterval van woorden. ‘Maar’, zegt ze, ‘als den Dollar sprak, dan zweeg ik. Want hij had interessante dingen te vertellen.’
‘Hoe komt het dat hij nooit getrouwd is?’ vraag ik.
‘Hij lachte daar zelf mee’, zegt Paula. ‘Hij had gehoopt een mooie vrouw te vinden in zijn studententijd in Leuven. “Intelligent waren ze wel”, zei hij dan. “Maar lelijk! Lelijk!” Iedereen plat van het lachen, maar achter die humor schuilde ook eenzaamheid. Op de bus sprak niemand hem aan, dat deed pijn. Hij rook ook wel. Droeg altijd dezelfde kleren en waste zich amper. Op een dag heb ik hem toch in de douche gekregen. “Heb je geen nieuwe broek voor mij?” vroeg hij. “Ja”, zei ik. “Kleed je maar om in de douche.” Hij kreeg zijn broek niet uit, ze plakte aan zijn benen. Toen we die einde- lijk loskregen, ontdekten we grote wonden aan zijn been. Het was eigenlijk een indirecte noodkreet.’

Toch bleef Jean Beersemans bovenal een man van de wereld, een man met stijl ook. Wanneer iemand in het zieken- huis naar zijn naam vraagt, antwoordt hij: ‘Meneer Beerse- mans.’ Nooit draagt hij een trainingsbroek. Altijd een mooie vest, Amerikaanse stijl. En lange witte schoenen, ook al bloedden zijn voeten daarin. De droom moest intact blijven. ‘For what is a man, what has he got? If not himself, then he has naught’, zingt Sinatra.

Op een dag in 2007 is Jean weg. Iedereen in paniek. ‘Waar is Jean?’ Hij had nochtans aangekondigd wat hij ging doen: het zou zijn laatste reis worden. Terug naar Amerika, om eindelijk die film te maken. ‘Niemand geloofde dat’, zei Paula. ‘Die man was 86, leefde op straat: dat klonk bijna surrealistisch.’
Twee weken later krijgt Paula plots een kaartje, afge- stempeld in New York. ‘Leg deze kaart naast die van Carla en u hebt een mooi beeld van New York bij dag en bij nacht. Vele groeten. Joe.’
Een vriend krijgt een kaart uit Los Angeles. ‘Zoals u ziet is L.A. een mooie plaats, groot en machtig. Ik werk hier aan mijn film met een vriend, our own movie production company in Hollywood. Ik laat wel weten hoe de zaken evolueren, op hoop van geluk. Tot volgend maal. Joe.
‘We stonden perplex’, zegt Paula. ‘Later heeft hij niets meer verteld over die reis.’
Madeleine: ‘Tegen mij zei hij: “Amerika is Amerika niet meer, Madeleine. Het is een ander land geworden.” “Maar Dollar toch,” antwoordde ik, “alle landen zijn veranderd. Alles verandert, wij ook.” Maar voor hem had Hollywood afgedaan. Hij stelde zijn hoop in Bollywood en later in China.’
‘Tot zijn laatste dag is hij in zijn droom blijven geloven’, zegt Paula. ‘Een paar weken geleden bezocht ik hem in het ziekenhuis. “Paula, ik had weer veel inspiratie”, riep hij. “Een hele nacht geschreven. Mijn pen kon mijn handen niet volgen.” Zijn ziekenhuiskamer leek wel een werkkamer.’
Maar ook Jean voelt dat de tijd niet meer aan zijn zijde staat. Naast zijn bed hangt een kalender. Elke dag zet hij een streepje. Weer een dag die hij gewonnen had tegen de dood, weer een dag om zijn scenario beter te maken. Het laatste streepje zet hij op 15 augustus 2013.
Terwijl hij even slaapt, gooit de schoonmaakploeg zijn scenario’s en plastic zakjes weg. Rommel, denken ze. Ze weten niet veel over mensen met plastic zakjes.

Nacht, de Indian summer begint te sputteren. In café Chirine, niet ver van het Centraal Station, hangt het over- lijdensbericht van Jean nog altijd aan het venster.
De serveuse wijst me zijn vaste plaats. ‘Mister Dollar was a special man.’ Ik begrijp meteen waarom Jean hier zijn ogen sloot. De diensters spreken alleen Engels en de Chirine is altijd open. Een café dat nooit slaapt: dichter bij New York kon hij in Antwerpen niet zijn.
Terwijl ik een koffie drink, rijdt de laatste snelbus uit Turnhout de stad in. In mijn hoofd hoor ik de song die hij drie jaar geleden in mijn oor fluisterde. Het lied van de man die tot zijn laatste dag zijn grote droom bleef najagen.

I want to wake up in that city
That doesn’t sleep
And find I’m king of the hill
Top of the heap
It’s up to you New York, New York.

Ik schrik wakker. De koffie is lauw.

 

P.S.

Beste Joseph, Joe, Jean, Meneer Beersemans, Mister Dollar. Ik ben er geweest. U had gelijk: geweldige stad, zowel bij nacht als bij dag. De volgende keer stuur ik een kaartje hemelwaarts.

Vele groeten.




STIJN TORMANS