09/18/2012

Wie voor Afrika iets wil doen, moet het liefhebben

Ze heeft haar hart aan Afrika verloren en op haar 82ste reist ze er nog altijd naartoe. “Moe zijn staat niet in mijn agenda”, zegt Simonne Kips enthousiast. “Ik zou meteen opnieuw vertrekken, maar het zal voor volgend jaar zijn.”


We waren met zes kinderen thuis en zijn heel christelijk opgevoed. We woonden in Melsele (een deelgemeente van Beveren in Oost-Vlaanderen, nvdr) en ons huis werd aan het begin en het einde van de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd. Mijn ouders hebben veel afgezien tijdens de oorlog.

 

Jeep

Mijn broer was 24 toen hij in 1950 als missionaris naar Congo vertrok en het jaar daarop ben ik me voor dat land beginnen inzetten: in de weekends en tijdens mijn vakanties containers vullen met van alles en nog wat. Mijn God, wat hebben we de voorbije zestig jaar niet allemaal naar ginds gestuurd, ooit zelfs een jeep. Toen mijn echtgenoot en ik in het midden van de jaren negentig van vorige eeuw samen alweer op pad waren om goederen naar Afrika te verschepen, braken ze binnen in ons huis en gingen met veel buit lopen. Enkele dagen later kregen we opnieuw ongewenst bezoek.

Ik ging in 1958 voor het eerst zelf naar Congo, waar mijn broer een missiepost had opgericht in de Evenaarsprovincie. Toen ons vader ziek werd – hij was pas 57 toen hij aan kanker stierf –, schreef ik mijn broer elke dag een brief. Hij heeft die nooit gekregen omdat de zwarten, die de postzegels voor zich hielden, ze weggooiden. De enige brief die hem bereikte, was die waarin ik schreef dat vader overleden was.

 

Onafhankelijkheid

Ik herinner me goed dat ik bij een andere reis de avond voor de onafhankelijkheid in 1960 naar België terugkeerde. De heenreis was bijzonder aangenaam verlopen; er waren weinig passagiers. Die waren er des te meer op de terugreis omdat veel Belgen naar het thuisland terugwilden op de vlucht voor geweld; de boot zat stampvol. Mijn broer is later tegen zijn goesting moeten terugkeren. Ik zie hem nog staan bij zijn aankomst thuis; hij had alleen een valiesje bij.

Na mijn huwelijk in 1960 was het gedaan met als verpleegster te werken in het Antwerpse Sint-Vincentiusziekenhuis. Zo ging dat in die dagen. Het maakte dat ik meer tijd had voor Afrika en sindsdien ben ik er vele, vele keren naartoe gereisd. Telkens voor een maand tot zes weken. In juni en juli was ik in Malawi en werkte er met aidspatiënten. Het jaar daarvoor verzorgde ik melaatsen. ’s Ochtends deed ik de gewone ronde met de dokters en het gebeurde dat ik in de namiddag nog eens terugkeerde om de koorts van iemand te meten of water te bezorgen. Ze waren me zo dankbaar dat ik nog eens kwam en dat kleinigheidje voor hen deed. Eigenlijk doe ik niets; ik houd me bezig en voel me daar gelukkig mee.

 

Luxe

Weet u, wie voor Afrika iets wil doen, moet het liefhebben. En ik heb de Afrikanen zo graag, ze zijn zo vriendelijk. Een zwarte hier zou ik direct aanspreken en vragen vanwaar hij komt. Wanneer ik daar ben, mis ik de luxe en de properheid niet die we hier hebben. Ik leef goed samen met de Afrikanen. In Malawi heb je nog een huis, in Congo helemaal niets. Slapen doe ik soms in kloosters. (gniffelt) Bij paters of broeders moet er al eens grondig worden gepoetst.

De jongeren van Afrika zijn meer christen geworden. Ze laten zich door het evangelie inspireren en willen daardoor goed doen. De kerken daar zijn tot de nok gevuld. Het innerlijke komt in Afrika veel beter tot zijn recht. God is niet te bewijzen; we moeten het voorbeeld geven en leven zoals Jezus het ons heeft voorgedaan. Mijn geloof voedt me. Zonder zou ik het niet volhouden. Elke avond dank ik God voor wat ik die dag was en elke ochtend bij het ontwaken, dank ik God opnieuw en vraag hem mijn werk te zegenen. Vaak ga ik ’s ochtends naar de eucharistie en ’s avonds naar een lezing of een voordracht die me spiritueel rijker maakt. Dat allemaal sterkt me enorm en helpt me bij tegenslagen of mislukkingen.

 

Daklozen

Bij mijn werk met daklozen hier, hield ik ooit een wake bij een stervende. De man vertelde me zijn leven vol drank en drugs – een soort biechtgesprek – en aan het einde vroeg hij naar de priester die hij lang geleden had gekend. Zijn omhelzing met die pastoor was zo intens en hij is vredig kunnen sterven. Zulke gebeurtenissen stuwen me om voort te doen.

Net als de schrijnende armoede in Afrika. Congo is verwoest, in Kinshasa ligt het vuil hoog opgestapeld. Het moet gezegd dat de Belgen er destijds veel goeds hebben gedaan. Ja, ze werden er rijker van, maar de bevolking was ook beter af met de scholen en de ziekenhuizen die de blanken er bouwden. De Chinezen hebben het overgenomen en ik heb in Lubumbashi gezien hoe ze de zwarten behandelen: ze voor minder dan een euro twaalf uren doen werken bij het aanleggen van wegen. De Chinezen en Congolees president Joseph Kabila worden er rijker van, de bevolking allerminst.

 

Gelofte gehoorzaamheid

Congolezen zouden graag hebben dat de Belgen er zich opnieuw meer engageren. Mijn broer was er 57 jaar actief en een van mijn zusters – twee van hen traden in bij de zusters van Liefde in Gent – evenveel jaren. Ze droeg er zorg voor gehandicapten, zoals mijn andere zuster dat hier deed. Het is jammer dat haar congregatie mijn zus naar België heeft teruggehaald. Ze is daardoor ontworteld. En zoals het spreekwoord zegt: ‘Een oude boom verplant je niet.’ Ik vroeg er haar naar en ze antwoordde dat ze de gelofte van gehoorzaamheid had afgelegd. Allicht doet het haar pijn dat ik onlangs nog in Afrika was.

Mijn echtgenoot stapte gezwind mee in het Afrikaanse avontuur. Eigenlijk werden we blanke Afrikanen. Mijn zuster daar legde ons eens uit dat de dorpelingen het water kilometers ver moesten halen. Mijn man legde haar gedetailleerd uit hoe ze een pomp moesten bouwen. Hij tekende alles nauwgezet in het groot op papier. We waren in de jaren zeventig van de vorige eeuw en die pomp werkt nog altijd.”

 

Boudewijn Vanpeteghem

Simonne Kips had twee zussen en drie broers. Haar vader, een inspecteur van de spoorwegen, vocht aan de IJzer in de Eerste Wereldoorlog. Ze studeerde verpleegkunde en werkte jarenlang in het Antwerpse Sint-Vincentiusziekenhuis. Ze was er achtereenvolgens verantwoordelijk voor de kinderafdeling, de afdeling inwendige ziekten en voor alle patiënten die het ziekenhuis binnenkwamen. Behalve die van de kraam- en psychiatrische afdeling, zegt ze lachend. Ze kreeg de Afrika-microbe te pakken nadat haar broer als missionaris naar Congo was vertrokken. (BV)