De Morgen 12/01/2012

De Morgen – Honger door Jeroen Meus


Honger is een gevoel dat me vreemd is. Als kind heb ik altijd genoeg te eten gekregen. En vers. Nooit kregen we iets uit een potje of een blikje, of een kant-en-klaarmaaltijd. Mijn moeder is er nog altijd trots op. Mijn vader, waar we voornamelijk in het weekend waren, is een voortreffelijke kok. Mijn moeder, bij wie we door de week woonden, was als alleenstaande, voltijds werkende moeder met drie zonen misschien iets minder bezig met de finesse van haar gerechten. Zij zag eten niet als een genotsmiddel maar als noodzaak. Eten als voedsel. Als je niet eet ga je dood. Zo was het vroeger thuis. Vandaag ben ik omringd door eten. Het is mijn leven, mijn vak. Heb ik honger, dan neem ik een hap. Vind ik het niet lekker? Dan máák ik het lekker, want daar heb ik voor geleerd. Eten is tegenwoordig ook een vorm van status - en daar heb ik een hekel aan. Mensen lijken wel in codetaal te spreken als het over restaurants gaat: 'Wij hebben vorige week restaurant x 'gedaan', en de week daarvoor 'deden' we y.' Een restaurant doen? Waar slaat dat op? Wat bedoel je daarmee? Ik voel me geprikkeld terwijl ik deze woorden opschrijf. Misschien heb ik gewoon honger. Volgens de Dikke Van Dale heb je honger als je behoefte hebt aan voedsel. Welnu, dat zou kunnen. Ik ben gisteren opgestaan om zes uur en het is nu even over half- twee, de volgende nacht. Ik heb bewust nog niks gegeten. Met een lege maag ben ik vanochtend vroeg in het gezelschap van Frank Vander Linden en fotograaf Charlie de Keersmaeker naar Sheffield vertrokken om er de geweldige Richard Hawley te interviewen. Hawley wilde met ons gaan lunchen, maar ik heb gepast. 'The fellowship van de dag' deed dat niet: een meat pie voor Your Hawleyness, fish & chips voor De Mens en sausages, eggs & chips voor Charlie. Ik leg mezelf op om niet mee te eten, en dat voelt heel onnatuurlijk aan. Elke hap die er wordt binnengespeeld, maak ik bewust mee. Mijn 'experiment' werpt nu al vruchten af. Mijn maag krimpt en vraagt - nu nog vriendelijk - om voedsel. Mijn bewustwording wordt aangewakkerd. Ik moet nu al mijn karakter aanspreken want het is verleidelijk om iets te bestellen of om op zijn minst eens te proeven. Proeven moet toch kunnen, fluistert mijn duivel me in. Niet, dus. Naarmate de dag vordert begint het te wennen in de maag - maar niet in het hoofd. Alles wat met eten te maken heeft, merk ik vinniger op. De geur van pizza als we weer op de luchthaven zijn, het gekraak van een zakje chips dat al smakkend naar binnen wordt gewerkt. Het begint nu te lijken op afkicken van een harddrug waarvan je niet wist dat je eraan verslaafd was. Want we zijn verslaafd aan eten omdat het moet. Terug thuis lonkt de koelkast. Iedereen slaapt al, niemand zou het merken. Eén hapje maar. Het karakter blijft overeind maar mijn maag spreekt me al aan op een smekende, zelfs dwingende toon. Honger dat ik heb. En dat na één dagje, ocharme. Vechten om ons eten zijn we niet meer gewoon. Het is ooit anders geweest. Ik kruip mijn bed in. Morgen ga ik aanschuiven in de gaarkeuken van Luik. Hopelijk maak ik zoontje Georges niet wakker met mijn grommende maag. 's Ochtends valt het wel mee. Een koffie mag, het worden er twee. Fotograaf Stephan Vanfleteren is stipt, en dat is nodig. Als we arriveren bij Kamiano in Luik staan de behoeftigen al aan te schuiven. We parkeren wat verder en splitsen ons op. Stephan gaat al naar binnen, ik wandel wat rond door de verlaten straten. De bedoeling van ons plan is dat hij foto's neemt van de handen van etende armen. Niet de gezichten, om het integer te houden. Ik ga apart en anoniem. Is dit dan onderzoeksjournalistiek? Stephan belt me redelijk snel. Kom maar snel naar hier want het zou kunnen dat je anders geen plaats hebt. Een eerste schuldgevoel speelt me parten. Staat er dadelijk iemand op straat door mijn schuld? Het idee maakt me misselijk. De honger die ik heb ook. Mensen staan gretig voor de deur te wachten op die enkele happen die hun gegund zijn. Het is zelfs een beetje drummen voor de deur. Wat ik zie, verbaast me hogelijk. Beduidend veel jongeren, maar ook gewone mensen van wie je niet zou denken dat ze iets tekortkomen. Enkel hun geur verraadt hen. Cara-pils doet hier gouden zaken. De meeste jongeren zien er verzorgd uit. Ik weet waarom, denk ik. Het moet niet makkelijk zijn om toe te geven dat je onder de armoedegrens leeft en afhangt van giften van mensen die het beter hebben dan jij. Hun laatste trots is misschien die ene goedkeurende knik die ze zichzelf toewerpen nadat ze in de weerspiegeling van een etalage hun outfit gekeurd hebben.

Obama in luik

We mogen naar binnen. Waar we zijn? Een huis dat eigendom is van de kerk. 'Gij zult de dorstigen laven en de hongerigen voeden.' Een nobele gedachte die hier ook in de praktijk wordt omgezet. We worden opgewacht, een vriendelijke man reikt iedereen de hand. Hij kent iedereen bij naam. Lachende gezichten van de vrijwilligers staan garant voor een vlot verloop. Oprechte gezichten, geen getrainde airline smiles. Ik schuifel door naar een achterzaaltje, waar ook alles opgedekt is. Het is er klein maar warm. De ruimte is met de middelen die voorhanden zijn een beetje ingericht. Niet dat dat heel belangrijk is. Zo veel mogelijk magen vullen, dat is wat telt. Ik neem plaats op een krukje in de hoek van de ruimte. Ik ben verlegen en schaam me. Al vlug komt er een man op me af met de vraag of ik de plaats ernaast wil innemen. Ik voel me ongemakkelijk bij zijn verzoek. Ik wil tegen de muur kunnen zitten. Ik verdraag niemand achter me. Ik wil het overzicht kunnen behouden. Ik vertrouw hier niemand. Net zoals een maffiabaas in de film altijd in de hoek zit om eventuele aanvallen te counteren. Ik schuif zonder tegenstribbelen op. De straat verandert een mens compleet, verzekert hij mij. Ook fysiek. Deze mensen zien er anders uit dan pakweg mijn vrienden. Zij lachen niet zo veel, denk ik. We krijgen water en een stukje brood. Ook komt er boter op tafel. Geen 'goei' boter maar margarine. Kosten drukken. Dikke lagen boter worden op dunne sneetjes brood gesmeerd. De vraag 'wenst u nog een sneetje brood bij uw boter', komt in me op maar ik zwijg wijselijk omdat ik besef dat deze verloren zielen moeten aansterken. Ze moeten zich voorbereiden op een koude winter en dan kan boter daarbij helpen. Wreed. Iedereen zit maar ik merk nog enkele 'openstaande vacatures' op. Twee plaatsen, schuin en recht tegenover me, zijn nog leeg. Maar niet lang meer. Een grote Congolees komt nog binnen. Obama is zijn bijnaam. Grappig. Humor is deze mensen niet vreemd, en dat is maar goed ook. Ze lachen met Stephan omdat hij Vlaming is. "C'est la crise, même en Flandre", roept er eentje. Obama poot zich tegenover mij neer. Een boom van een kerel met stevige handen die hij niet wil laten fotograferen. Hij is niet de enige. Zijn kolenschoppen spreken nochtans boekdelen. Twee vuile littekens van een mes lopen over zijn hand. Hij stinkt. Ik had het graag anders omschreven, maar het lukt me niet. Hij heeft geen huis en slaapt op een klein matrasje onder een brug onder de Maas. Dat kom ik achteraf te weten. Net op tijd is hij, Obama, want het menu wordt geserveerd. Geen keuze, uiteraard. Alweer een beperking van vrijheid. Deze mensen hebben zelden een keuze. Niemand die hen vraagt waar ze zin in hebben. Ook blijkt het vaak om zogeheten generatiearmoede te gaan. Ouders arm, jij ook arm. Eruit raken is bijzonder moeilijk. Onderwijs is niet de prioriteit. Een slaapplaats vinden en eten hebben, dat heeft voorrang. Op de valreep dwarrelen er nog twee kleurrijke figuren binnen. Lion, wordt er geroepen. Ik geloof mijn ogen niet. Een klein mannetje - of is het een vrouwtje - komt aangedraven met een boekentas op de rug. Geen lookalike van een AC/DC-gitarist, want hij draagt een rok. Zijn haar is rossig en lang maar kort aan het voorhoofd. Een pony. Léon is zijn echte naam maar omdat hij lijkt op een leeuw noemen ze hem graag Lion. Een ander durft het aan en zegt Lionne. Hij is aanwezig en ervaren. Dat voel je. Hij eist de aandacht op en wordt snel op zijn wenken bediend. Hij drinkt warm water. Dat is beter voor de keel. Ik moet beginnen mezelf te beschermen tegen ziekten en neem voorzorgsmaatregelen.

 

zwembad vol saus 

De soep wordt geserveerd. Het recenseren van gerechten is zelden op zijn plaats en hier al zéker niet, maar het moet gezegd; dit is uitermate lekker. Verser kan haast niet, goed warm, veel garnituur (spaghetti) en heerlijk afgekruid. Hoewel Obama daar anders over denkt. Slim gemaakt ook, met veel koolhydraten want er is pasta en aardappel in verwerkt. Brandstof. Ik probeer, zonder mijn dekmantel prijs te geven, contact te maken met de man naast Obama. Hij ziet er jong uit. Hij heeft echt honger. Als ze in Hollywood jonge drugsverslaafden stylen, zien ze er altijd uit als deze jongen. Ik ken zijn naam niet, wel zijn leeftijd: 34. Dat is ook míjn leeftijd. Ik krijg het opeens koud, hoewel ik met mijn rug tegen een verwarmingsbuis leun. Heroïne heeft hem te pakken. Zijn gezicht is ingevallen, zijn tanden zijn niet zichtbaar. Vuile drugs. Wat heeft hem ooit bezield om eraan te beginnen? Hij is opgewekt en vriendelijk - maar te laat voor de soep. Die is op. Niet goed voor hem, want er moeten reserves aangelegd worden. En deze maaltijden zijn er maar op twee zaterdagen per maand. Hij vindt het geen probleem, is blij met alles. Het hoofdgerecht wordt geserveerd. Twee kalkoenlapjes, rode kool en gekookte aardappelen. Vers en lekker. Lion graait een derde kalkoenlapje van het bord van iemand die net naar het toilet is. Hij maakt ook van zijn oren want wil meer saus. "Je veux une piscine de sauce", scandeert hij. Dus toch geen oud vrouwtje. Mariette is dat wel. Zij zit in de hoek. Nagels gelakt, diadeem in het haar maar hier wel al achttien jaar vaste klant. Ze zal tevreden zijn want qua prijs-kwaliteitverhouding is het nergens beter. Haar kinderen komen hier ook. Mijn leeftijdgenoot eet alsof zijn leven ervan afhangt. In zijn geval kan dat kloppen. Graatmager is hij. Hij vraagt de restjes van een aantal andere borden. Zonder schaamte schuift hij het allemaal op zijn bord, kijkt me aan en zegt: "ça c'est un plat." Hij werkt het allemaal naar binnen. Ik vraag me af hoe lang het geleden is dat hij nog heeft gegeten.

 

Bewondering

Een van de vrijwilligers doet een ronde aan elke tafel en vraagt hoe het met iedereen gaat. Hij komt ook naar mij. Wie ben je? Hoe heet je? Het is de eerste keer dat je hier bent. Gaat het? Ik voel me echt welkom. Ik bewonder hen: ook voor deze mensen is het weekend. Op de vraag hoeveel sterren ze het eten vandaag waard vonden, komt geen antwoord. Het grapje sterft een stille dood omdat ze geen benul hebben wat de man bedoelt. Op deze manier denken ze niet over eten. En idyllisch omhoog kijken als ze gaan slapen zullen ze ook wel niet doen. Er wordt nog taart rondgebracht. De meesten vragen het in een plastic zakje. Om mee te nemen. Dat wordt waarschijnlijk de maaltijd van morgen, bedenk ik. Uit schaamte weiger ik een stuk te nemen. Geef het maar weg aan deze stakkers. Iedereen begint zich weer in te duffelen. Het loopt tegen enen, Kamiano sluit de deuren. Een voor een vertrekken de eters. Even waren ze verenigd, nu is het weer ieder voor zich. Alleen Lion blijft wat treuzelen. Alsof hij met voorbedachten rade traag eet, om zo lang mogelijk binnen te kunnen zitten. Stephan vraagt of hij toch niet een portret mag maken. Natuurlijk mag dat. Hij vertelt veel en snel maar ik versta hem niet goed. Hij lacht en is fel maar draait zich plots naar mij en zegt: "Zonder te weten welke miserie jij aan de hand hebt, wilik sowieso met je wisselen, want erger dan mijn leven kan het niet zijn. J'ai rien. Alleen een boekentas."

 

© 2012 De Persgroep Publishing

in De Muse , bijlage De Morgen, 1 december 2012




Jeroen Meus